Nationaliteit in Nederlands-Indie en Indonesie

Hoe zat het in Nederlands Indie met de nationaliteit? In Suriname kan iedereen bij de souvereiniteitsoverdracht kiezen voor de Nederlandse nationaliteit. Hoe was dat geregeld in Nederlands Indie en later Indonesie?

Nationaliteit in Nederland sinds 1838

Na de Franse tijd (die zover ging dat Nederland tussen 1810 en 1813 zelfs was ingelijfd bij Frankrijk en dus niet meer bestond) werd Nederland weer soeverein in 1815. Dit was het moment om te werken aan een eigen burgerlijk wetboek. In dit wetboek moest ook bepaald worden wie de Nederlandse nationaliteit had. Het burgerlijk wetboek was immers voor de burgers van Nederland, dus voor burgers met de Nederlandse nationaliteit. In 1838 was het burgerlijk wetboek af.

In het wetboek werd bepaald dat iedereen die binnen het koninkrijk of de koloniën werd geboren uit ouders die daar gevestigd waren, de Nederlandse nationaliteit bezat. Dit betekende dus dat ook de “Inlanders” in Indonesië de Nederlandse nationaliteit bezaten. Op basis van het Burgerlijk wetboek had dus vrijwel iedereen in Nederland en de koloniën die Nederlandse nationaliteit.

Nederlandse vrouwen die trouwden kregen de nationaliteit van hun echtgenoot (dit principe werd tot 1983 gevolgd) en verloren de Nederlandse nationaliteit. Niet-Nederlandse vrouwen die met een Nederlandse man trouwden kregen automatisch de Nederlandse nationaliteit. Verder was iedereen die in Nederland werd geboren Nederlander. Vrouwen die met een buitenlander trouwden, kregen dus wel Nederlandse kinderen als ze in Nederland woonden.

Slaven

De Tweede Kamer maakte zich begin 19e eeuw nog wel “zorgen” over de positie van slaven in de koloniën (in Nederland zelf was slavernij verboden). Tijdens de behandeling van het nieuwe burgerlijk wetboek werden hier Kamervragen over gesteld. De overheid kon de Kamerleden “geruststellen”: slaven konden zich niet “vestigen” (een vereiste om als Nederlander te worden beschouwd) omdat alleen personen zich kunnen vestigen. Slaven werden niet als personen beschouwd en konden dus ook geen nationaliteit hebben.

Gelijkgestelden

Wat waren de rechten van vreemdelingen? Zij konden de overheid vragen te worden beschouwd als “gelijkgestelden”.

Een vreemdeling kon de koning verzoeken zich in Nederland te mogen vestigen en om met een Nederlander te worden gelijkgesteld.
Vreemdelingen die geen toestemming hadden gevraagd zich in Nederland te vestigen, konden na zes jaar verblijf in Nederland met Nederlanders worden gelijkgesteld, als zij aangaven van plan te zijn in Nederland te blijven wonen. Je had dus Nederlanders, “gelijkgestelden aan Nederlanders”, vreemdelingen en slaven (de laatsten alleen in de koloniën).

Een tweede wet in 1850

In 1850 kwam er een tweede wet bij die ook (naast het burgerlijk wetboek) bepaalde wie Nederlander was. Niet alleen voor de burgerlijke rechten was het immers belangrijk te weten wie Nederlander was, ook om te kunnen bepalen wie kiesrecht had en wie de politiek in mocht of belangrijke posities mocht bekleden,was het belangrijk vast te stellen wie Nederlander was. In 1850 werd dit vastgelegd in de wet.

Bij de totstandkoming van de wet vond de regering het vanzelfsprekend dat de “Inlanders” voor deze wet geen Nederlander zouden worden. De regering vond het niet logisch hen politieke rechten te geven. In de kamer was hier nog wel discussie over. Sommige Kamerleden wezen de regering erop dat de Inlanders deze rechten best konden krijgen omdat ze hier toch nooit gebruik van zouden kunnen maken.
Het Nederlanderschap was op dat moment immers niet de enige eis waar men aan moest voldoen: Om te kunnen stemmen moest ook je man zijn en over vermogen beschikken (nog geen 10% van de mannen in Nederland kon stemmen). De regering besloot toch de Inlanders uit te sluiten.

In Nederlands Indië is de Nederlandse nationaliteit alleen voor degenen: “welke in eersten of verderen graad uit ingezetenen van het Rijk in Europa zijn gesproten”. Dit zijn dus de mensen die vanuit Nederland in Nederlands Indië zijn gaan wonen, en hun afstammelingen.

Het burgerlijk wetboek en de wet uit 1850 bleven naast elkaar bestaan. Het kon dus zijn dat je Nederlander was volgens het burgerlijk wetboek, maar geen Nederlander was op grond van de wet uit 1850.

Het Regeringsreglement in Nederlands Indië 1854

In Nederlands Indië was het Regeringsreglement leidend. Deze “Indische Grondwet” die was opgesteld in 1854 lag aan de basis van het rechtssysteem in Nederlands Indië. Uit artikel 109 volgde dat de inwoners van Nederlands Indië opgedeeld werden in twee groepen: Europeanen en Inlanders. Het onderscheid tussen deze groepen werd gemaakt op basis van “ras” en geloof.

Elke groep had een subgroep: “de met hen gelijkgestelden”. Je kon op verzoek gelijk worden gesteld met een Europeaan als je goed Nederlands sprak, christen was en een Nederlandse leefwijze had aangenomen.

Arabieren en Chinezen werden gelijkgesteld aan Inlanders.

De twee groepen hadden een eigen rechtssysteem (burgerlijk recht en handelsrecht, staatsrecht, bestuursrecht en strafrecht) en rechtspositie. Het behoeft geen uitleg dat de rechtspositie van de Inlanders (en gelijkgestelden aan Inlanders) veel slechter was dan de positie van Europeanen en de aan hen gelijkgestelden.

Chinezen werden niet alleen gelijkgesteld aan Inlanders, maar zij vielen ook onder aparte regelgeving die specifiek gold voor Chinezen. Ze moesten in aparte wijken wonen en mochten alleen reizen met een speciale toestemming (een reispas).

De nationaliteitswet van 1893

In 1893 wilde men af van de twee soorten Nederlanders.

Aan de verwarring die voorkwam uit de twee wetten die het Nederlanderschap bepaalden, werd door een wet uit 1893 een einde gemaakt.
Er werd in deze wet gekozen voor een heel andere benadering. Tot 1893 was je Nederlander als je in Nederland werd geboren (iets wat mensen tot de dag van vandaag soms nog denken). In de nieuwe wet word je Nederlander als je een Nederlandse vader hebt of als je Nederlander wordt door naturalisatie.
Wanneer men in het buitenland gevestigd is, verliest men zijn Nederlanderschap als men niet eens in de tien jaar te kennen geeft het te willen behouden.
Er was nu nog maar één soort Nederlander.

Niet alleen had dit grote gevolgen voor vrouwen (zij konden het Nederlanderschap niet doorgeven en ook al woonden ze in Nederland, als ze met een buitenlander waren getrouwd werden hun kinderen geen Nederlander) maar ook voor de Inlanders. De Inlanders waren nu ook civielrechtelijk geen Nederlander meer.

In eerste instantie had de regering voorgesteld om een ieder die op grond van één van de oude wetten Nederlander was, ook het nieuwe Nederlanderschap te verlenen. Door een amendement vanuit de Tweede Kamer is dit niet doorgegaan. Er is expliciet voor gekozen dat Inlanders onder de nieuwe wet geen Nederlander meer zijn.
In de kranten in Nederlands Indië is men opgelucht dat een Kamerlid hier een stokje voor heeft gestoken: “Wanneer de heer Levyssohn Norman niet had opgepast, dan had zich later het geval kunnen voordoen dat een in ons land gevestigde Javaan of andere Indiër mee aan het kiezen was gegaan.”

(Gek genoeg werd de gehele bevolking in Suriname en de Antillen wel Nederlander in 1892)

Staatloos of Nederlander

De wet uit 1893 zorgde er dus voor dat de Inlanders staatloos waren geworden. Volkenrechtelijk was dit heel vreemd. Als koloniale machthebber had Nederland een heel groot deel van de eigen onderdanen staatloos gemaakt.

Dit leidde tot problemen. Inlanders in het buitenland konden niet door Nederlandse consulaten worden geholpen als zij in de problemen kwamen.

Verder kregen buitenlandse staten meer invloed in Nederlands Indië. In China werd bijvoorbeeld in 1910 een wet aangenomen die alle Chinezen -waar ook ter wereld- als Chinees onderdaan beschouwde. Dit gold dus ook voor de Chinese bevolkingsgroep in Nederlands Indië. Zij hadden nu de Chinese nationaliteit en de Chinese consul begon zich steeds actiever met hun positie te bemoeien.

Onderdanen en Nederlanders

Om deze problemen te voorkomen, kwam er in 1910, een aparte onderdaanschapswet. De Inlanders en aan hen gelijkgestelden werden als ‘Nederlandse onderdanen’ beschouwd, zonder dat ze de Nederlandse nationaliteit kregen. Dit bleef voorbehouden aan personen van Nederlandse origine.

Ingezetenen in Nederlands Indie

Ingezetenen zijn zij die hun woonplaats in het rijk hebben of daar gedurende de voorafgaande achttien maanden in het rijk of zijn koloniën, bezittingen hebben gehad.
Voor de inheemse, autochtone bevolking was het ingezetenschap een vanzelfsprekende zaak. Voor hen die niet tot de inheemse bevolking behoorden volgde het ingezetenschap uit het toegelaten zijn tot en het hebben van een vergunning tot vestiging in Nederlands Indië.

Het nieuwe Regeringsreglement in 1920

Vanaf 1920 werd het RR gewijzigd. De bevolking van Nederlands-Indië werd nu in drie groepen verdeeld: Europeanen,  Inlanders en Vreemde Oosterlingen.

De soevereiniteitsoverdracht (1949)

Bij de souvereiniteitsoverdracht is het volgende afgesproken:

  1. inheemse Nederlandse onderdanen – ( dus niet Nederlanders (‘inlanders’)) verkregen de Indonesische nationaliteit (ca. 70 miljoen).
  2. uitheemse Nederlandse onderdanen – niet Nederlanders (‘vreemde oosterlingen’), vooral Chinezen, 1,2 miljoen,  verkregen de Indonesische nationaliteit, maar konden deze verruilen voor de Chinese nationaliteit.
  3. Nederlanders (250.000) behielden de Nederlandse nationaliteit (waaronder ook de Indische Nederlanders). Binnen twee jaar konden ze die verruilen voor de Indonesische als ze in Indonesië waren geboren of daar minimaal een half jaar woonden.

Paspoortarchief

Iedere Nederlander kon een Nederlands paspoort aanvragen. Heel veel mensen in Nederlands Indie hadden geen paspoort. Of ze hadden nooit een paspoort aangevraagd of het was in de oorlog kwijtgeraakt. In het paspoortarchief kan je de aanvragen bekijken. Er werd gekeken naar de nationaliteit van de vader of bij vrouwen, de nationaliteit van de echtgenoot. Op sommige aanvragen staat een rood kruis. Deze aanvragen zijn afgewezen omdat de Nederlandse nationaliteit niet zou vast staan.

Ook in onze familie zijn er rechtszaken gevoerd en hebben familieleden moeten getuigen over de afstamming van familieleden. Vooral omdat in de oorlog veel papieren zijn kwijtgeraakt kon dit tot pijnlijke situaties leiden.

Hier zoek je in de Oost-Indische bronnen >>

(Let op: het kost wel geld  of je moet een abonnement hebben)